Zo werkt Opsporen Conventionele Explosieven

Mijnenveger voor gevorderden

Grote delen van Nederland waren oorlogsgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van de afgeworpen bommen liggen er nog velen in onze bodem. Deze conventionele explosieven worden opgespoord als er nieuwe bouwactiviteiten in die gebieden plaatsvinden. Maar hoe spoor je eigenlijk zo’n bom op? We leiden je in zes stappen naar een bom in de grond.

3 november 2016

Vooronderzoek

In het vooronderzoek wordt gekeken of in het gebied wel of geen oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. De opdrachtgever stelt een Veiligheids- en Gezondheidsplan Ontwerpfase op en vanuit dat schrijven is het verplicht om een gebied te onderzoeken op explosieven. We duiken de archieven in om luchtfoto’s te bekijken, mijnenvelden te bekijken, de gevechtshandelingen bestuderen, documentatie te lezen. In een rapportage geven we aan of er oorlogshandelingen in het gebied (of delen van het gebied) zijn geweest. Tevens wordt er een bodembelastingskaart toegevoegd waarop de horizontale afbakening van een verdacht gebied wordt aangegeven en welke explosieven of verdachte objecten er mogelijk liggen. Denk hierbij aan afwerpmunitie, onderdelen van militair materieel en uitrusting. We sluiten af met een advies over de te nemen vervolgstappen.

Bodembelastingkaart.jpg

Op de bodembelastingskaart wordt de horizontale afbakening van een verdacht gebied aangegeven.

Inventarisatiekaart.jpg

Op de inventarisatiekaart worden kraters, bombardementen, bominslagen, schades door bombardementen, bunkers, crashes en andere incidenten vastgelegd.

Projectgebonden Risico Analyse

In de Projectgebonden Risico Analyse (PRA) gaan we kijken welke werkzaamheden we vanuit Heijmans gaan uitvoeren. Tot welke diepte moeten we detecteren? Welke werkzaamheden hebben al plaatsgevonden ná 1945? En zo gaan we gebieden wegstrepen, totdat je alleen nog de echte verdachte gebieden overhoudt. We geven aan tot welke diept er ‘gewoon’ gegraven kan worden. Soms is een gebied verdacht tot 4,5m diepte, maar hebben er in de eerste meter onder maaiveld niveau al werkzaamheden plaatsgevonden, zoals het trekken van kabels en leidingen. Als er niet dieper gegraven hoeft te worden dan een meter, dan kan er gewoon gewerkt worden. We werken in een geografisch informatiesysteem (GIS) waarin de geo-informatie wordt opgeslagen, beheerd, geanalyseerd en gepresenteerd.

Voorbeeld-GIS-OCE.jpg

Via een online dashboard in GIS kan de opdrachtgever realtime meekijken.

Werkvoorbereiding

Werkplan maken waarin we beschrijven wat we gaan doen en hoe we het gaan doen. Het materieel en de mensen worden ingepland voor de werkzaamheden. In deze fase nemen we contact op met bevoegd gezag en de opdrachtgever voor de goedkeuring van het plan. Ook wordt alvast de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) ingeschakeld. De KLIC-meldingen (informatieverstrekking over de ligging van kabels en leidingen) worden in GIS verwerkt en van het gebied wordt een detectiegebied aangemaakt. Wanneer er ook dieptedetectie uitgevoerd moet worden, wordt ook een zogenaamd ‘boorplan’ gemaakt op basis van alle verzamelde informatie. Dat is een grid met de exacte boorlocaties van het te onderzoeken terrein.

Oppervlaktedetectie en benaderen

Met een kar wordt er over het maaiveld gereden. Vanaf het oppervlakte meten we naar beneden. Dat doen we met magnetometers: passief (tot 4,5 meter diep meten) en actief (tot 2 meter diep). De het passieve systeem meet de afbuiging van de aardmagnetische lijnen. Als er een stuk metaal in de grond zit, dan buigt de lijn af. Die afbuiging meten we dan. Het actieve systeem is eigenlijk een soort radar die een signaal naar beneden zendt en een signaal terugstuurt als er iets van metaal in de grond zit. Op basis van het vooronderzoek wordt bepaald welke techniek er wordt gebruikt. De grondslag en het te verwachten type munitie spelen daar ook een rol bij. Als de grondwaterstand hoog is, hoeven we niet met een actief systeem te gaan werken. De werkzaamheden worden standaard met minimaal twee personen uitgevoerd, vanwege de veiligheid.

OCE-Opsporen-Conventionele-Explosieven-Oppervlaktedetectie-Heijmans-def.jpg

De oppervlaktedetectie levert een kaart op met meetvelden waar de ferromagnetische verstoringen op te zien zijn. Die data wordt vergeleken met de te verwachten munitie om zo in te schatten wat er daadwerkelijk ligt. Dat wordt verwerkt in een objectenlijst met gps-coördinaten. Daarna worden er in het veld vlaggetjes uitgezet op de exacte coördinaten. Met de objectenlijst in de hand wordt er bij de vlaggetjes gekeken naar de grootte en de diepte van het object. Met de handdetector wordt gecheckt of de dieptegegevens en de locatie kloppen. Dan wordt er gegraven. Machinaal of met de hand. Ook wel ‘benaderen’ genoemd. We werken laagje voor laagje van maximaal 10 cm naar beneden. De diepte van de lagen is afhankelijk van waar we naar op zoek zijn. Na iedere laag wordt er weer gemeten. Totdat we de bom tegenkomen.

Op de handdetector zit niks anders dan een metertje met een wijzer. We proberen het omslagpunt tussen positief en negatief te vinden, want dan zitten we recht boven de bom. Aan de snelheid van het wijzertje kunnen we zien hoe groot de bom is en of we al in de buurt zijn.

Dieptedetectie en benaderen

Als er dieper dan 4,5 meter explosieven te verwachten zijn, dan wordt dieptedetectie toegepast. Met vlaggetjes worden de GPS-locaties uit het boorplan op de locatie uitgezet. Tijdens het uitvoeren van de dieptedetectie wordt er een magnetometer gemonteerd in een sondeerinstallatie (MDE Drive), die vervolgens gemonteerd wordt op een graafmachine. De machinist bedient de MDE Drive en drukt de magnetometer (die in sondeerbuizen zit) de grond in. Hiermee kan tot een diepte van 18 meter geïnspecteerd worden. Daarmee meet je in een straal van 1,25 meter om de boring heen of daar een verstoring zit. We noemen dat ook wel ‘prikken’. Dat doen we volgens een exact grid wat op het boorplan staat vermeld. Op de locaties waar we bommen verwachten, prikken we op nog kortere afstand van elkaar, zodat we ‘vlakdekkend’ kunnen meten. In het boorplan houden we alle gemeten informatie bij zoals de grondlagen, welke explosieven we aantreffen, met welk gewicht, welke afkomst, op welke diepte, wel of niet geruimd en wat voor een ontsteking de bom heeft. Dan hebben we exact in kaart waar de bommen liggen en kunnen we ze gaan benaderen.

OCE-Opsporen-Conventionele-Explosieven-2.jpg

Alle facetten van dieptedetectie op een rij.

Omdat de bommen diep liggen, wordt er eerst een kuip van damwanden om de bom heen gemaakt op basis van de sondeergegevens. Daarbij houden we rekening met het feit dat de bom op locatie onschadelijk gemaakt wordt (demonteren). Het is ook fijn als mensen met droge voeten in de kuip kunnen werken. Daarom wordt er via een bronbemaling het grondwater opgepompt. Afhankelijk van het type grondwater wordt er gekeken of het grondwater op het oppervlaktewater geloosd kan worden of dat er retourbemaling moet plaatsvinden. Dat wordt afgestemd met het waterschap. De bom wordt laag voor laag benaderd. Zowel met de graafmachine als handmatig met de schep. Als de bom wordt gevonden, wordt deze tijdelijk veiliggesteld. We onderzoeken en registreren het type bom, welk kaliber, het type ontsteker en de toestand van de ontsteker.

Overdracht EOD en vernietigen

Op het moment dat Heijmans de bom heeft benaderd, wordt de EOD ingeschakeld. Zij komen op locatie de situatie analyseren en maken een ruimplan. Voor Heijmans zit het werk er dan op. De EOD gaat met het bevoegd gezag bepalen welke voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen er genomen moeten worden. Denk aan de nabijheid van gebouwen, wegen en vliegvelden, veiligheid omwonenden en de ligging van de bommen ten opzichte van elkaar. Er kan gekozen worden om de bom te demonteren of om de bom ter plekke te laten ‘springen’. Dat laatste is sterk afhankelijk van het type en de toestand van de bom, maar ook van de locatie en de grondwaterstand. De EOD is de enige organisatie die de aangetroffen explosieven laat springen. Het ‘springen’ is het vernietigen van de explosieven.