Provada 2016: Interview Paulus Jansen

Kanaleneiland, een levendige Trachtwijk

De bellengroep van de flat aan de Rooseveltlaan telt 29 namen. Achttien ervan hebben een Hollandse oorsprong: Klop, Van Zoest, Jacobs. Elf namen zijn achter de horizon ontstaan: Boudih, Durmus, Hjazi. Welkom op Kanaleneiland, waar de wereld voet aan wal zet. Krachtwijk of Prachtwijk? Een Trachtwijk, waar velen de leefbaarheid proberen te versterken. Een wandeling met de wethouder.

3 juni 2016

Paulus Jansen wacht op een bankje in de groenstrook. Veert overeind. Lange, wakkere man. Achter hem ligt het Amsterdam-Rijnkanaal. De Eendracht uit Delfzijl komt voorbijvaren. Past die naam bij de wijk? Dat is wat al te utopisch. Maar het gaat de goede kant op, stelt de wethouder. Wat op macro-niveau helpt, is het mengen van sociale groepen. Paulus Jansen (biografie) is er hartstochtelijk voorstander van. “Een gemengde wijk is fijner voor iedereen – ook voor rijke mensen. Niet iedereen is overigens voorstander van gemengd wonen. In zowel wetenschappelijke kringen als onder politieke partijen leven bezwaren. Maar in Utrecht is de Woonvisie, waarin gemengd wonen een uitgangspunt is, met instemming van de grote meerderheid van de raad vastgesteld. Als je de keuze gemengd of niet-gemengd wonen aan maatschappelijke krachten overlaat, verklein je per saldo het geluksgevoel van bewoners. Zie Amerika.”

Sinds 2014 is Paulus Jansen (62) wethouder van wonen, ruimtelijke ordening, vastgoed, sport, de wijk Zuidwest – waaronder Kanaleneiland – en dierenwelzijn in Utrecht. Hij kent de bouwwereld van troffel tot schop. Na zijn studie bouwkunde aan TU/e werkte hij bij onder meer ingenieursbureau DHV. Als lid van de SP raakte hij in de jaren zeventig bij (lokale) politiek betrokken. Later was hij onder andere SP-fractievoorzitter in Provinciale Staten Utrecht en raadslid en fractievoorzitter in de gemeente Utrecht. Tussen 2006 en 2014 zat hij voor de SP in de Tweede Kamer, waar hij het woord voerde over met name volkshuisvesting, energie, klimaat en water.

IMG_2791.jpg

Paulus Jansen (62) is sinds 2014 wethouder van wonen, ruimtelijke ordening, vastgoed, sport, de wijk Zuidwest – waaronder Kanaleneiland – en dierenwelzijn in Utrecht.

Omkatten

Minder heil ziet hij in gemengd wonen op microniveau. “Ik vind niet dat je in elke woonblok consequent een mix van Turkse en Nederlanderse bewoners en statushouders moet toepassen. Belangrijker dan herkomst is levensstijl. Iemand die elke ochtend om 06.00 uur zijn bed uit moet, zal weinig op hebben met een nachtbraker.” Met een kanttekening. Want de nationale neiging om alles en iedereen tot een lifestylegroep terug te brengen, hoeft experimenten niet uit te sluiten. Opgewekt: “Zo hebben we een Utrechts bejaardenhuis omgekat. Er wonen nu zowel senioren als studenten. Dat gaat goed.” Ook sport verenigt, benadrukt Jansen. “Het klopt dat Johan Derksen daar een tikje anders over denkt, maar als wethouder van sport zie ik dat het echt werkt. Neem de Zwaluwen, hier op Kanaleneiland (historie). Ja, daar kun je elf nationaliteiten in een elftal tegenkomen. Maar het is een club van de gestampte pot.”

Kanaleneiland, in het zuidwesten van Utrecht, is tussen 1955 en 1970 ontstaan. Trefwoorden: ruim, veel groen- en sportvoorzieningen, prefab hoogbouw, met name portiekflats. Niet alleen de woningen stapelden. Ook de problemen – vanaf de jaren tachtig. Goede laagbouw was schaars; de middenklasse keerde Kanaleneiland de rug toe. De nieuwe bewoners waren hoofdzakelijk migranten. Geld voor stedelijke vernieuwing ontbrak, de verrafeling trad in.

Extra rijksgeld vanaf 2007 – Kanaleneiland behoorde tot de veertig Vogelaar-wijken – bracht de kanteling op gang. De gemeente Utrecht pakt door, in samenspel met onder meer Heijmans. Voor Kanaleneiland is een actieplan opgesteld. Het telt maar liefst achttien indicatoren op het gebied van wonen en omgeving, veiligheid, integratie, leren en gezondheid.

Kaartje-Kanaleneiland-def.png

Onmisbare groepen

Bij gemengd wonen hoort ook variëteit in woningtypologie. Grondgebonden, gestapeld, woongroepen, eengezinswoningen, miniappartementen. Als je dat biedt, houd je sociale stijgers vast die anders zouden doorstromen naar – om het bij Utrecht te houden – Leidsche Rijn. Sociale stijgers maken deel uit van netwerken met vitaliteit, zegt Jansen. “Die wil je niet zien vertrekken.” Tegelijkertijd wil hij verdrukking voorkomen. Stadsvernieuwing en gentrificatie kunnen immers een uittocht van minder kansvolle groepen veroorzaken. “Dat geldt voor iedereen op het niveau mbo of minder. Zij zijn vaak uitvoerend – verpleegster, agent, onderwijzer. Maar ze zijn onmisbaar in de stad.”

In het rapport ‘Gescheiden werelden?’ concluderen het Sociaal Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat in Nederland een maatschappelijke kloof tussen hoog- en laagopgeleiden dreigt. Zij leven, wonen en werken nog amper in dezelfde habitats. Onwenselijke trend, vindt Jansen. “De situatie is verslechterd, waar de exploitatiekracht van corporaties niet mee is gediend. Ik heb geen zin in een deprimerend verhaal, maar ik zie dat markt- en wettelijke mechanismes gewenste ontwikkelingen tegenhouden. Zo hebben ontwikkelaars nog altijd de neiging om voor klassieke doelgroepen te ontwikkelen. De onderkant van de samenleving zien ze als risico voor de verhuurbaarheid of verkoopbaarheid van wat ze ontwikkelen.”

Marktpartijen

Voor die marktpartijen heeft hij een verlanglijstje. Bovenaan: daadkracht. “Als het om stadsvernieuwing ging, gold lange tijd dat iedereen naar de gemeente keek. Marktpartijen kwamen vaak pas halverwege in beweging. Te laat. Dan kan een varkenscyclus ontstaan. Ik zou willen dat marktpartijen minder terughoudend waren.” Een andere wens is sterkere integraliteit bij gebiedsontwikkeling. “Nu is het te vaak een ‘ondernemerskunstje’. Het gaat niet alleen om woningen bouwen. Ook een winkelcentrum en scholen zijn nodig voor een sterke wijk. Wat schuurt, is dat marktpartijen vaak in een korte periode rendement willen behalen. Het gevolg is dat zaken die belangrijk zijn voor leefbaarheid worden uitgesteld. Gevaarlijk, want het kan tot een neerwaartse spiraal leiden. Bovendien hebben marktpartijen er óók belang bij dat een gebied goed blijft of beter wordt.”

Facts-Kanaleneiland-def.png

Nek uitsteken

De wethouder loopt de trap op naar de Bevrijdingslaan. Achter de horizon ligt de vijf kilometer lange Amsterdamsestraatweg. Een mooi voorbeeld van gebiedsontwikkeling en de beoogde rol van marktpartijen, zegt hij. “Er zitten nu twintig kappers, shoarmatenten, belwinkels. Dat verhoudt zich slecht tot de herontwikkeling van het NS-terrein. Het winkel-, horeca- en dienstenaanbod aan de Amsterdamsestraatweg moet ook inspelen op de nieuwkomers in de wijk. Een wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) kan daartoe bijdragen: probleempanden aankopen, ontmoetingsplaatsen creëren zoals een grand-café. Kortom: investeren.”

Heijmans heeft hier zijn nek uitgestoken. Niet dat ze filantropie bedrijven, maar ze zijn de eerste in Utrecht die het anders aanpakt.

Dat ook marktpartijen daar een aandeel in kunnen hebben, bewijst de Gemeentelijke Exploitatiemaatschappij (GEM) voor Kanaleneiland. De gemeente Utrecht heeft hem samen met corporaties en Heijmans opgezet. “Heijmans heeft daar zijn nek uitgestoken. Niet dat ze filantropie bedrijven, maar ze zijn de eerste in Utrecht die het anders aanpakt. Marktpartijen doen dat nog te weinig.”

Een laatste hartenwens: “De kostprijs van stadsvernieuwing moet omlaag. Te veel procesgeld. Te veel oeverloos geouwehoer. De aanpak in stadsvernieuwing is verkokerd, zowel financieel als organisatorisch. De remedie? Vervang alle geoormerkte en aparte geldstromen door één geldstroom waar je op kunt sturen. Maar ook: zet in op thema’s – zoals gezondheid, armoede en veiligheid –zonder op voorhand te bepalen welk kanaal je daarvoor gaat gebruiken.”

Regie

Welke regiestijl? Topdown is old school, erkent Jansen. Maar hoe pak je dan stadsontwikkeling aan? Hij staat niet afwijzend tegenover de opvatting van futuroloog en strategisch adviseur Maurits Kreijveld dat de positie van (lokale) overheden dient te veranderen. Kreijveld wil meer experimenten inclusief een transitie van de overheid: van de dienstverlener die alle controle en middelen heeft naar een (verzameling van) platform(en). Zo’n platform biedt de schaal, spelregels, faciliteiten en infrastructuur voor een waaier van innovaties en initiatieven. Top-down meets bottom-up; verticale en horizontale sturing kruisen elkaar.

Jansen heeft twee voetnoten: “In een wijk als Leidsche Rijn vliegen de initiatieven je om de oren, maar in zwakkere wijken vind je minder mensen die de kennis en energie hebben om initiatieven te ontwikkelen. Juist daar zul je bewoners met beleid en aanmoediging moeten steunen. Twee: het credo ‘laat duizend bloemen bloeien’ is mooi, maar in elk initiatief schuilt een bepaald belang. Als overheid hebben wij het algemeen belang te bewaken en keuzes te maken.”

Tempo

Is hij een harde of zachte heelmeester? Jansen lacht hard, maar valt in de laatste categorie: “Als je iets wilt bereiken, moet je de deur blijven openhouden. Ook voor mensen met wie je het niet eens bent. Tegenspraak is de basis van vooruitgang.” In die zin is hij meer van de Amsterdamse en Haagse dan van de Rotterdamse school: “Ik wil collega’s niet de maat nemen. Maar de aanpak daar – slopen en verkopen – wordt als hard ervaren. Het voordeel van een zachtere aanpak is dat je partijen bij elkaar kunt brengen die iets aan elkaar hebben.” Aanspreekbaarheid is belangrijk, zegt hij. In de wijk, op straat. Leefbaarheid kan niet zonder. Zelf is hij ook te benaderen. “Eenmaal per maand houd ik wijkspreekuur, hier in Zuidwest. Zo hoor ik wat er speelt. Uit eerste hand.”

Terug bij het bankje aan het kanaal. Jansen stapt op zijn gemeentescooter. Scheurt weg. Opgevoerd? Ach, een kniesoor die zich dat afvraagt. De wethouder heeft haast. Net zoals Kanaleneiland.